Papegaaien en andere vogels | Parrots and Other Birds | Perroquets et autres oiseaux


Warning: Illegal string offset 'width' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 58

Warning: Illegal string offset 'mode' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 62

Warning: Illegal string offset 'speed' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 66

Warning: Illegal string offset 'infiniteLoop' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 70

Warning: Illegal string offset 'controls' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 74

Warning: Illegal string offset 'startingSlide' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 78

Warning: Illegal string offset 'randomStart' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 82

Warning: Illegal string offset 'hideControlOnEnd' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 86

Warning: Illegal string offset 'auto' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 90

Warning: Illegal string offset 'pause' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 94

Warning: Illegal string offset 'autoDirection' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 98

Warning: Illegal string offset 'autoHover' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 102

Warning: Illegal string offset 'pager' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 106

Warning: Illegal string offset 'pagerLocation' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 110

Warning: Illegal string offset 'ticker' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 114

Warning: Illegal string offset 'tickerSpeed' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 118

Warning: Illegal string offset 'tickerDirection' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 122

Warning: Illegal string offset 'tickerHover' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 126

Warning: Illegal string offset 'easing' in /home/alvaroavergara/soul-lotus.com/wp-content/plugins/cslider/cslider.php on line 130

parrots

Papegaaien en andere vogels

1

Stellenbosch,
Ik heb de indruk
Dat ik in een vliegtuig zit.
Of in een andere werkelijkheid.
Of in een werkelijkheid die onwerkelijk is,
Of omgekeerd, hoewel ik niet weet
Of er verschil is tussen werkelijkheid
En onwerkelijkheid, of tussen werkelijke onwerkelijkheid
En onwerkelijke onwerkelijkheid.
Het kan me niet schelen.
Hennie zegt me woorden
Die ooit Nederlandse woorden waren.
De meeste heb ik niet eerder gehoord.
Hij reist met toeristen door Zuid-Afrika,
Vertelt geschiedenis, zeer gedetailleerd.
Men noemt hem Hennie Wikipedia.
Ik heb thuis over Stellenbosch gelezen,
De namen van de bergen uit mijn hoofd geleerd.
Ik heb de klanken van de vogels nagedaan
En hun veren gekleurd.

2

Stellenbosch, ik was gisteren in Bellville,
Bezocht de universiteit, keek naar gezichten, houdingen,
Dronk een cola, sprak met leraren, grinnikte om zinnen,
Ik voelde me op mijn gemak.
We reden terug en dronken een paar glazen bier tussen de druiven.
Ik probeerde me voor te stellen dat ik er woonde,
Maar het lukte niet.
Mijn reisgenoot vertelde
Dat hij het leuk vond om Nederland te bezoeken,
Dat hij Nederland niet idealiseerde,
Wel bewonderde.
Hij vertelde ook over besluitvorming,
Over de toekomst, over vandaag
En over armoede.
De zon begon donker te worden.
Om ons heen zaten mensen te eten,
Ze hadden dezelfde huidskleur als wij.
Ik ga overmorgen naar Delft, zei ik.

3

Stellenbosch, ik liep over straat om iemand iets te vragen.
Ik zag vrouwen in auto’s, mannen op de fiets.
Ik zag ook mannen in auto’s, samen met vrouwen.
Ik zag een vrouw op een fiets.
Maar ze verdween tussen twee huizen
Voordat ik haar aandacht kon trekken.
Gelukkig kwam ze even later terug,
Met een tas op haar rug.
Ze stopte toen ik mijn hand opstak.
Ik vroeg: wat is je favoriete hoek in Stellenbosch?
Die heb ik niet, zei ze, ik heb een favoriete minnaar,
Een favoriete temperatuur en een favoriet tijdstip.
Ik vroeg: die minnaar speelt rugby?
Weet je dat ik rugby een schitterende sport vind?
Nee, zei ze, hij bokst, volgens mij heeft hij talent,
Ik ga soms mee naar de training.
Ik zei: een van mijn beste vrienden bokst,
Maar ik heb hem nog nooit bezig gezien.
Een andere vriend bokste vroeger ook,
Toen de vogeltjes nog achteruit vlogen.
Ik ken verder nog een man die eerst heel tenger was,
Door fanatiek turnen kreeg hij een ander lichaam.
Hij woonde bij me om de hoek, nu niet meer,
Dat gebeurt met meerdere mensen.
Alle gekheid op een stokje, zei ze,
Wat doe je eigenlijk in Stellenbosch?
Je komt toch uit Nederland,
Ben je hier om familie te zoeken?
Kun je me trouwens goed verstaan?
Ik zei: ja, ik kan je behoorlijk volgen,
Soms ga je iets te snel, dan raak ik je kwijt,
Andersom is het vermoedelijk precies zo.
Als mensen Afrikaans met elkaar spreken,
Is het of ik naar een Scandinavische taal luister.
Ik kom uit Delft, misschien ken je de naam.
Het ligt tussen Den Haag en Rotterdam.
Een vriend van me woont in Kaapstad,
Alfred, hij was uitsmijter bij een discotheek,
Tegenwoordig bouwt hij huizen.
Getrouwd met een geweldige vrouw.
Ik heb hem daarstraks gezien,
We aten in de botanische tuin.
Mooie plek, zei ze, mijn oma kwam er vaak.
Ik zei: ben je ooit in Nederland geweest?
Nee, zei ze, mijn vader wel, voor zijn werk,
Ik zou liever naar Vietnam gaan.
Was jij al eerder in Zuid-Afrika?
Ik zei: dit is de eerste keer.
Ik ben hier om te kijken en te luisteren,
Om rond te lopen en uit te rusten,
Om mensen tegen te komen
En om mezelf te vergeten.
Ik wilde eigenlijk zeggen dat ik op de vlucht was
Voor ziekte en geldgebrek en eenzaamheid,
Maar de felle zon en het felle groen
Lieten niet toe dat ik dat zei.
Je moet ook wijn drinken, zei ze, en adem halen.
Bevalt Stellenbosch een beetje?
Ik zei: het is opvallend rustig,
Ik slaap elke nacht als een roos.
Morgen ga ik naar Delft, bij Kaapstad, ken je dat?
Ik ben er nooit geweest, zei ze, maar ik ken de bordjes.
Nu ga ik naar de sportschool, daarna moet ik leren.
Ik zei: okay, dan loop ik een route langs de hoeken.

4

Regen. Parasol. Sigaret. Koffie.
Naar een klein zwembad kijken.
Dingen noteren in een schrift
Om ze niet terug te hoeven lezen.
Feiten in een koele volgorde zetten.
De kat aaien, het deuntje fluiten,
Dat ik altijd voor Zwaan en Zazie fluit …
Naar de kamer lopen en mijn tanden poetsen.
In de spiegel kijken is mijn hobby niet,
Ik vloek liever en trek een overhemd aan,
Dat laat zien dat ik weinig op heb met veel,
Veel met weinig, weinig met weinig en veel met veel.
Ik maak vaak plannen met Eltjo, praktische plannen
Die ons onvoorstelbaar rijk zullen maken.
Schoonheidssalon in de hoofdstad van Kirchizië,
Stomerij in de Atacama, metrostation zonder metro.
Mooi om Bart te zien, we wachten in de hal
Op de auto van Paul en Sabrina Gympies.

5

Annemie, Rentia, Stefan, Nathan, Ronelda,
Wisten jullie dat Delft ook een eilandje is?
Hoort bij Sri Lanka, ligt in de Straat Palk.
Tegenwoordig heet het Neduntheevu
Maar de naam Delft is evenmin ongebruikelijk.
Er schijnen restanten te zijn van een tempel
En van een fort.
Delft is verder nog een gehucht in Minnesota,
Ik zag het op een paar warrige foto’s.
Thom, een Amerikaanse vriend, schreef
Dat hij er ooit doorheen reed
In zeven seconden!
Mijn eigen Delft ken ik misschien,
Delft bij Kaapstad is tien keer groter.
De Gympies wonen in Delft,
Ze rijden ons rond, wijzen gebouwen aan,
Vertellen over politiek, ziekenzorg, winkeltjes.
Bestuurslagen, moorden, bendes, verkrachting.
Iglohuisjes, hopwoningen, zwarten, kleurlingen,
Indiërs, Congolezen, Nigerianen, families
Die uiteenvallen, werkloosheid, drugs, aids.
Bart is er al eerder geweest.
Ik weet niet waar ik ben.
Er hangt een mist in mijn ogen.
Kun je zeggen dat de ene armoede erger is dan de andere?
Schaamtelozer? Verzengender? Puurder?
Ook in Blikkiesdorp stappen we uit,
Twaalf vierkante meter per woning,
Een tussenruimte van een of twee meter,
Kokendheet in de zomer, in de winter
Speelplaats voor regen en wind.
Elektriciteit illegaal afgetapt.
Ik probeer me voor te stellen dat ik er woon,
Tussen de weggetjes, de draden, de toiletten
En de onhoorbare stemmen, maar het lukt me niet.
Dan een wijkje met betere huizen,
Gebouwd met steun van een bank,
De huizen kijken uit op de armoede
Die met de dag dichterbij komt,
En staan leeg.
In Peace Park Nelson Mandela
Door de regen naar containers
Waar we enkele vrouwen ontmoeten,
Voor bibliotheek, aidshulp, familiehulp …
Ik adem.

We bezoeken een middelbare school met jonge directeur,
Hij staat ons in het Engels te woord, met onvoorstelbare kalmte.
Een computer voor twaalfhonderd leerlingen,
En de problemen van het individu.
Ik adem.
We bezoeken een ander gebouw,
Acht vrouwen vertellen in het Afrikaans
Over hun activiteiten, ik luister,
Versta niet alles, kijk naar hun ogen,
Hun handen, hun kleren, hun wil, hun ervaring.
Verkrachting, bendes, moord, aids, drugs …
Ik probeer te ademen.
We bezoeken het huis van de Gympies.
Daarna terug naar Stellenbosch
Met een tussenstop in een winkelcentrum in Goodwood,
Paul en Sabrina trakteren ons op koffie en een tosti.
Ik weet niet wat ik moet zeggen.

6

Stellenbosch,
Ik vind mijn stem terug en zing met Alfred,
Luister naar Saskia, lach met Heinrich en Liza Mirò,
Drink wijn in Rozendal met professoren, eet onder een boom,
Kijk in het donker naar een straatnaambordje
En raak in gesprek met een man die bezorgd om me is,
Vraag naar de naam van een liedje,
Drink bier in een feesttent, omarm Gert Vlok,
Hoor liefdesleed op het terras van een pizzeria,
Bestel The Gypsy, kijk naar Duitse toeristen
Die er niet in slagen zich verstaanbaar te maken,
Zie een familie lopen aan de overkant,
Met fietshelmen op, ook de baby in de wagen,
Schrijf ‘Thermodynamische analyse van het geloof’.
Godverdomme, wat ben je een merkwaardige plek!
Je hebt schitterende papegaaien en andere vogels!
Zo veel rood en geel en groen en blauw en wit,
Maar zo weinig zwart!
Weet je, voordat mijn vader mijn moeder vond,
Had hij een verhouding met Rietje Contant
Die later trouwde met een Van der Stel!
Misschien zoek ik mijn favoriete hoek,
Misschien moet ik aan je wennen.

Parrots and Other Birds

1

Stellenbosch,
I get the impression
I am on an aeroplane.
Or in a parallel reality.
Or in a reality that is unreal
Or vice versa, although I’m not sure
There is a difference between reality
And unreality, or between a real unreality
And an unreal unreality.
I don’t care.
Hennie uses words
That were Dutch words once.
Most of them I’ve not heard before.
He travels across South Africa with tourists,
Talks history, at length.
They call him Hennie Wikipedia.
I’d read up on Stellenbosch back home,
Learned the names of the mountains by heart.
I mimicked the sound of the birds
And coloured their feathers.

2

Stellenbosch, I was in Bellville yesterday,
I visited the university, observed faces and postures,
Had a coke, talked with teachers, chuckled at phrases,
I felt at home.
We drove back and had a couple of beers among the vines.
I tried to imagine living here full-time,
But couldn’t.
My travelling companion mentioned
That he enjoyed visiting the Netherlands,
That he didn’t idealise it,
But admired it.
He also talked about making decisions,
About the future, about today
And about poverty.
The sun began to darken.
All around us people were eating,
We shared the colour of their skin.
I leave for Delft, I said, day after tomorrow.

3

Stellenbosch, I walked along the street to ask someone a question.
I saw women in cars, men on bikes.
I saw men in cars, together with women.
I saw a woman on a bike.
But she disappeared between two buildings
Before I could wave her down.
Luckily she reappeared moments later,
With a bag on her back.
She stopped when I raised my hand.
I asked: what’s your favourite street corner in Stellenbosch?
I don’t have one, she said, I have a favourite lover,
A favourite temperature, a favourite time of day.
I asked: this lover is he a rugby-player?
You know I think rugby is an amazing sport?
She said no, he’s a boxer and quite a talent,
I sometimes watch him train.
I said: one of my best mates is a boxer,
But I’ve never seen him in action in the ring.
Another friend also used to box,
Back in the days when birds could still fly backwards.
I also know a man, stick-thin he was,
Who fanatically bulked up his body with gymnastics.
He lived round the corner, but not anymore,
As is what happens with some people.
Yes, but joking aside, she said,
What brings you to Stellenbosch,
You’re Dutch, right,
Are you here looking for family?
By the way, am I easy to understand?
I said: yes, I can follow you quite well,
Sometimes when you go a little fast you lose me,
But that probably works both ways.
When people speak Afrikaans,
It’s like listening to a Scandinavian language.
I’m from Delft, maybe you’ve heard of the name?
It’s halfway between The Hague and Rotterdam.
A friend of mine lives in Cape Town,
Alfred, he was a bouncer in a club,
These days he works in construction.
Married an amazing woman.
I saw him earlier today,
We had lunch in the Botanical Gardens.
Nice place, she said, my Granny often went.
I said: have you ever been to the Netherlands?
No, she said, but my father has, for his job,
I’d rather go to Vietnam.
Have you been to South Africa before?
I said: this is the first time.
I am here to listen and to watch,
To wonder round and rest,
To meet strangers in the street
And to forget about myself.
What I really wanted to say is I was on the run
From sickness, money worries and loneliness,
But the burning sun and the burning green
Got in the way.
Don’t forget to drink wine, she said, and to breathe.
Do you like Stellenbosch?
I said: it’s noticeably quiet,
I sleep sound as a log at night.
Tomorrow I’ll visit Delft, near Cape Town, do you know it?
I’ve never been, she said, but I’ve seen it on the signposts.
I’m off to the gym now, then some revision.
I said: okay, and I’ll walk along street corners.

4

Rain. Parasol. Cigarette. Coffee.
Stare out at the paddling pool.
Note stuff down in an exercise book
So as not to have to read it back.
List facts coolly,
Stroke the cat, whistle the tune
I normally whistle to Zwaan and Zazie…
Walk into the room brushing my teeth.
Looking in the mirror isn’t my hobby,
I much rather curse and throw on a shirt,
Evidence I couldn’t care less about more,
More about less, less about less or more about more.
I often cook up plans with Eltjo, practical plans
That will make us stinking rich.
A beauty salon in the capital of Kirgizstan,
A Laundromat in the Atacama, a tube station without the tube.
It’s good seeing Bart, we wait in the hall
For Paul and Sabrina Gympies’ car.

5

Annemie, Rentia, Stefan, Nathan, Ronelda,
Did you know Delft is also an island?
Part of Sri Lanka, in the Strait of Palk.
These days it’s called Neduntheevu
But the name Delft is also still in use.
Apparently there are remains of a temple,
And of a fort.
Then there is another Delft, a hamlet in Minnesota,
I saw it on a handful of foggy photographs.
Thom, an American friend, wrote to say
He once drove through Delft
In seven seconds!
My own Delft, I suppose, I know quite well,
Delft near Cape Town is ten times its size.
The Gympies live in Delft,
They drive us round, point at buildings,
Explain its politics, healthcare, the corner shops.
Murder, gangs, rape and local government.
Shacks, Township Housing, blacks, coloureds,
Indians, Congolese, Nigerians, families
Falling apart, unemployment, drugs and aids.
Bart has been here before.
I don’t know where I am.
There’s a mist hanging in my eyes.
Can you say one poverty is worse than another?
More without shame? More scorching? Chaste?
We also get out in Blikkiesdorp,
Twelve square metres per family home,
Alleys spanning no more than two metres,
Boiling hot in summer, in winter
A playground for the wind and rain.
Illegally tapped electricity.
I try to imagine this is where I live,
Among the alleys, the electric wires, the toilets
And all the inaudible voices, but I fail.
Next, a small neighbourhood with better housing,
Built with money from a bank.
The houses stand empty,
Look out on the poverty closing in
Day by day.
In Peace Park Nelson Mandela
Through the rain towards containers
Where we meet a bunch of women working at
The library, for Aids Support, for Family Support…
I breathe in.
We visit a high school with a young headmaster,
He addresses us in English with incredible calm.
One computer between twelve hundred pupils,
And the individual problems of the kids.
I breathe in.
We visit another building,
Where eight women talk to us in Afrikaans
About their activities, I listen,
Miss some of what they say, watch their eyes,
Their hands, their clothes, their will, their skill.
Rape, gangs, murder, aids, drugs…
I try to breathe.
We visit the Gympies in their home.
Back to Stellenbosch after that
With a stopover in a shopping mall in Goodwood,
Paul and Sabrina treat us to coffee and a sandwich.
I don’t know what to say.

6

Stellenbosch,
My voice comes back and I sing with Alfred,
Listen to Saskia, laugh with Heinrich and Liza Mirò,
Drink wine in Rozendal with professors, eat under a tree,
Peer through the dark at a street sign
And strike up a conversation with a man concerned about me,
Ask after the name of a song,
Drink beer in a party tent, embrace Gert Vlok,
Listen to hearts break outside a pizzeria,
Order The Gypsy, watch German tourists
Fail at making themselves understood,
Spot a family across the street wearing crash helmets,
Including the baby in the pram,
Note down ‘Thermodynamic analysis of faith’.

Perroquets et autres oiseaux

1

Stellenbosch,
J’ai l’impression
De me trouver dans un avion.
Ou dans une autre réalité.
Ou dans une réalité qui est irréelle,
Ou vice versa, bien que je ne sache pas
S’il y a une différence entre réalité
Et irréalité, ou entre irréalité réelle
Et irréalité irréelle.
Cela m’est bien égal.
Hennie me dit des mots
Qui étaient autrefois des mots néerlandais.
Pour la plupart, je ne les ai jamais entendus avant.
Il traverse l’Afrique du Sud avec des touristes,
Parle histoire par le menu détail.
On l’appelle Hennie Wikipédia.
J’ai lu sur Stellenbosch à la maison,
Appris par cœur le nom des montagnes.
J’ai imité le chant des oiseaux
Et coloré leurs plumes.

2

Stellenbosch, hier j’étais à Bellville,
J’ai visité l’université, regardé visages et postures,
Bu un coca, parlé avec les professeurs, ricané à cause des phrases,
Je me suis senti à l’aise.
Nous sommes rentrés et nous avons bu quelques bières parmi les raisins.
J’ai essayé de m’imaginer que je vivais là,
Mais je n’y suis pas parvenu.
Mon compagnon de route disait
Que c’était un plaisir de visiter les Pays-Bas,
Qu’il n’idéalisait pas les Pays-Bas,
Mais qu’il les admirait.
Il parlait également du processus décisionnel,
De l’avenir, d’aujourd’hui
Et de la pauvreté.
Le soleil commençait à s’assombrir.
Autour de nous les gens mangeaient,
Ils avaient la même couleur de peau que nous.
Après-demain, je vais à Delft, dis-je.

3

Stellenbosch, je courais les rues une question à la bouche.
J’ai vu des femmes en voiture, des hommes à bicyclette.
J’ai vu aussi des hommes en voiture, avec des femmes.
J’ai vu une femme à bicyclette.
Mais elle a disparu entre deux maisons
Avant que j’aie pu attirer son attention.
Heureusement, elle revint un instant après,
Un sac sur le dos.
Elle s’est arrêtée lorsque j’ai levé la main.
J’ai demandé : quel est votre coin préféré à Stellenbosch ?
Je n’en ai pas, dit-elle, j’ai un amant préféré,
Une température préférée et une heure préférée.
J’ai demandé : cet amant joue au rugby ?
Il faut savoir que je trouve le rugby un sport formidable.
Non, dit-elle, il fait de la boxe, je crois qu’il a du talent,
Parfois je l’accompagne à l’entraînement.
J’ai dit : un de mes meilleurs amis fait de la boxe,
Mais je ne l’ai jamais vu en action.
Un autre ami faisait aussi de la boxe, autrefois,
Du temps où les oiseaux volaient en arrière.
Du reste, je connais un homme qui était très frêle,
À force d’exercices de gymnastique, son corps a changé.
Il habitait chez moi autour du coin, plus maintenant,
Il n’est pas le seul à qui cela arrive.
Blague à part, dit-elle,
Qu’est-ce que tu fais à Stellenbosch ?
Tu viens des Pays-Bas, n’est-ce pas,
Tu es venu chercher de la famille ?
D’ailleurs, peux-tu me comprendre correctement ?
J’ai dit : oui, je peux te suivre plutôt bien,
Parfois, tu vas un peu trop vite, alors je te perds,
Inversement, c’est probablement pareil.
Lorsque les gens se parlent en afrikaans,
C’est comme si j’écoutais une langue scandinave.
Je viens de Delft, tu connais peut-être le nom.
C’est entre La Haye et Rotterdam.
Un de mes amis habite Le Cap,
Alfred, il était videur dans une discothèque,
Aujourd’hui, il construit des maisons.
Marié à une femme du tonnerre.
Je viens de le voir,
Nous avons mangé au jardin botanique.
Bel endroit, dit-elle, ma grand-mère y allait souvent.
J’ai dit : tu es déjà allée aux Pays-Bas ?
Non, dit-elle, mon père, oui, pour son boulot,
J’aimerais plutôt aller au Vietnam.
Tu étais déjà venu en Afrique du Sud ?
J’ai dit : c’est la première fois.
Je suis ici pour regarder et écouter,
Pour me promener et me reposer,
Pour rencontrer des gens
Et pour m’oublier.
En fait, je voulais dire que je fuyais
La maladie et le manque d’argent et la solitude,
Mais le soleil ardent et la verdure éclatante
M’interdisaient de le dire.
Tu devrais aussi boire du vin, dit-elle, et respirer.
Stellenbosch te plaît un peu ?
J’ai dit : c’est remarquablement calme,
Je dors chaque nuit comme un ange.
Demain, je vais à Delft, près du Cap, tu connais ?
Je n’y suis jamais allée, dit-elle, mais j’ai vu les panneaux.
Maintenant, je vais à la gym, ensuite je dois apprendre mes leçons.
J’ai dit : d’accord, alors, je m’en vais en passant par les coins.

4

Pluie. Parasol. Cigarette. Café.
Regarder une petite piscine.
Prendre des notes dans un cahier
Pour ne plus devoir les relire.
Ranger les faits dans un ordre sec.
Caresser le chat, siffler le petit air
Que je siffle toujours pour Zwaan et Zazie…
Marcher jusqu’à la chambre et me brosser les dents.
Regarder dans le miroir n’est pas mon passe-temps,
Je préfère pousser des jurons et je mets une chemise
Qui montre que je fais peu de cas de beaucoup,
Beaucoup de peu, peu de peu et beaucoup de beaucoup.
J’échafaude souvent des projets avec Eltjo, de projets pratiques
Qui nous rendront incroyablement riches.
Salon de beauté dans la capitale de la Kirghizie,
Pressing dans l’Atacama, station de métro sans métro.
Chouette de voir Bart, nous attendons dans le hall
La voiture de Paul et Sabrina Gympies.

5

Annemie, Rentia, Stefan, Nathan, Ronelda,
Saviez-vous que Delft est aussi une petite île ?
Elle fait partie du Sri Lanka, se trouve dans le détroit de Palk.
Aujourd’hui, elle s’appelle Neduntheevu
Mais le nom de Delft n’est pas inhabituel.
Il semble qu’il y ait des vestiges d’un temple
Et d’une forteresse.
Delft est en plus un hameau dans le Minnesota,
Je l’ai vu sur quelques photos confuses.
Thom, un ami américain, m’a écrit
Qu’il l’a traversé un jour en voiture
En sept secondes !
Je connais peut-être ma propre Delft,
Delft près du Cap est dix fois plus grande.
Les Gympies habitent à Delft,
Ils nous promènent en voiture, montrant les bâtiments,
Causant politique, aide aux malades, petits commerces.
Niveaux hiérarchiques, meurtres, gangs, viols.
Maisonnettes-igloo, habitations-opah, noirs, métis,
Indiens, Congolais, Nigérians, familles
En désintégration, chômage, drogues, sida.
Bart y est déjà allé.
Je ne sais pas où je suis.
J’ai du brouillard dans les yeux.
Peut-on dire qu’une pauvreté est pire qu’une autre ?
Plus impudente ? Plus torride ? Plus pure ?
Nous descendons aussi à Blikkiesdorp
Douze mètres carrés par maison,
Espacées d’un ou deux mètres,
Torride en été, en hiver
Une aire de jeux pour la pluie et le vent.
L’électricité tirée illégalement.
J’essaie de m’imaginer que je vis là-bas,
Entre les ruelles, les fils, les toilettes
Et les voix inaudibles, mais je n’y arrive pas.
Ensuite, un petit quartier avec des maisons plus belles,
Construit avec le soutien d’une banque,
Les maisons donnent sur la pauvreté
Qui s’approche de jour en jour,
Et sont vides.
Dans le Peace Park Nelson Mandela
Sous la pluie vers les conteneurs
Où nous rencontrons quelques femmes,
Pour la bibliothèque, secours au sida, secours aux familles…
Je respire.
Nous visitons une école secondaire avec un jeune directeur,
Il nous adresse la parole en anglais, avec un flegme incroyable.
Un ordinateur pour douze cents élèves,
Et les problèmes de l’individu.
Je respire.
Nous visitons un autre bâtiment,
Huit femmes racontent en afrikaans
Leurs activités, j’écoute,
Ne comprends pas tout, regarde leurs yeux,
Leurs mains, leurs vêtements, leur volonté, leur expérience.
Viols, gangs, meurtres, sida, drogues…
J’essaie de respirer.
Nous visitons la maison des Gympies.
Ensuite, retour à Stellenbosch
Avec une escale dans un centre commercial à Goodwood,
Paul et Sabrina nous paient un café et un croque-monsieur.
Je ne sais que dire.

6

Stellenbosch,
Je retrouve ma voix et chante avec Alfred,
Écoute Saskia, ris avec Heinrich et Liza Miró,
Bois du vin à Rozendal avec les professeurs, mange sous un arbre,
Regarde dans l’obscurité la plaque indicatrice d’une rue
Et engage une conversation avec un homme qui s’inquiète à mon sujet,
Demande le nom d’une chanson,
Bois de la bière dans une tente de fête, embrasse Gert Vlok,
Écoute du chagrin d’amour sur la terrasse d’une pizzeria,
Commande The Gypsy, regarde les touristes allemands
Qui ne parviennent pas à se faire comprendre,
Vois marcher de l’autre côté une famille
Avec des casques de vélo, même le bébé dans la poussette,
Écris « Analyse thermodynamique de la foi ».
Nom de dieu, quel étrange endroit tu es !
Tu as de magnifiques perroquets et autres oiseaux !
Tant de rouge et de jaune et de vert et de bleu et de blanc,
Mais si peu de noir !
Tu sais, avant que mon père ait trouvé ma mère,
Il a eu une relation avec Rietje Contant
Qui épousa plus tard un Van der Stel !
Peut-être suis-je à la recherche de mon coin préféré,
Peut-être dois-je m’habituer à toi.

Arjen Duinker
About Arjen Duinker
Arjen Duinker (Delft, 1956) has published one novel Het moeras (1992) and eleven volumes of poetry. In 2001 Duinker received the Jan Campert Prize for his volume De geschiedenis van een opsomming (2000). In 2005 De zon en de wereld (2004) won the VSB Poetry Prize and has been published in English translation in Australia. Further book-length collections have appeared in France, Portugal, Italy, Iran, Russia and the UK, and are in preparation in China, Finland, Croatia and Mexico. One of Duinker’s poems was translated into 220 different languages for a project called ‘World Poem’. His most recent collection is Buurtkinderen (2009).